Patiënten: Welke testen kan de patient zelf aanvragen?

Dit is een zwangerschapstest die via urine-onderzoek gedaan wordt.

Glucose  (nuchter)

We meten de hoeveelheid glucose in uw bloed, waarbij u nuchter was toen er bloed werd afgenomen. Het onderzoek kunt u aanvragen in het kader van een algemeen onderzoek of indien u een vermoeden heeft op suikerziekte (diabetes). Bij diabetes (suikerziekte) wordt de test ook gebruikt om het effect van de behandeling te controleren. De uitslag geeft aan hoeveel suiker er in uw bloed aanwezig is. Glucosewaarden die nuchter zijn afgenomen liggen normaal gesproken tussen de 4,0 en 6,4 mmol/l. Lage glucose waarden (hypoglycemie) komen voor bij mensen met suikerziekte die teveel insuline gespoten hebben of te weinig gegeten hebben (bijvoorbeeld door ziekte).

Glucose is chemisch gezien een eenvoudig, klein suikermolecuul. In voedsel zitten lange ketens van suikermoleculen (koolhydraten) die tot verschillende kleine suikers worden afgebroken, waaronder glucose. Het wordt via de wand van de dunne darm in het bloed opgenomen. De meeste lichaamscellen gebruiken glucose als bron van energie. Na het eten stijgt de hoeveelheid glucose in het bloed. Onder invloed van insuline (een hormoon uit de alvleesklier) wordt glucose naar de lichaamscellen gebracht waar het wordt gebruikt voor de energieproductie of wordt opgeslagen als reservebrandstof. Bij mensen met suikerziekte (diabetes mellitus) is de glucosebalans verstoord waardoor het bloedsuikergehalte te hoog is. Dat kan leiden tot ernstige beschadigingen van de nieren, het hart, de ogen, bloedvaten en zenuwen. Lage glucosewaarden kunnen ook voorkomen bij o.a. problemen met de schildklier, gebruik van bepaalde medicijnen en leverafwijkingen. Te hoge waarden worden meestal veroorzaakt door suikerziekte, maar kunnen ook komen door o.a. gebruik van bepaalde medicijnen, acute stress, nieruitval, problemen met de bijnieren, acromegalie en schildklierafwijkingen.


Cholesterol

In het bloed meten we de hoeveelheid van het totaal aan cholesterol, zonder onderscheid te maken tussen HDL (goede) en LDL (slechte cholesterol).

Cholesterol is een belangrijke bouwstof voor ons lichaam. Het speelt een rol bij de opbouw van weefsels en organen en bij de aanmaak van bepaalde hormonen en galzuren. Cholesterol wordt deels uit de voeding opgenomen en deels door de lever aangemaakt. Transport van en naar de weefsels vindt plaats m.b.v. lipoproteïnes , dat zijn vetbolletjes bestaande uit cholesterol, triglyceriden en bepaalde eiwitten (o.a. apolipoproteïnes ). Er zijn grofweg” twee soorten cholesterol-bevattende lipoproteines: HDL (het ‘goede’ cholesterol) voert het cholesterol af uit de weefsels en organen en brengt het naar de lever. LDL (‘slecht cholesterol’) vervoert cholesterol naar de verschillende weefsels en organen. Cholesterol kan blijven kleven aan de binnenkant van onze bloedvaten. Dit geeft vernauwingen, die kunnen leiden tot een hartinfarct. Veel cholesterol in het bloed maakt de kans op vaatproblemen groter.

Om de kans op hart- en vaatziekten beter te kunnen berekenen zou u moeten weten wat de hoogte van het  HDL is. Deze test kan de arts aanvragen. Hiermee kan de cholesterolratio berekend worden (het totaal cholesterolgehalte gedeeld door het HDL gehalte).

HIV

HIV is het virus dat AIDS (Acquired Immune Deficiency Syndrome) verooorzaakt en staat voor Human Deficiency Virus. Iemand die geïnfecteerd is met dit virus is HIV-positief. In de normale dagelijkse omgang met HIV-positieve mensen loopt men geen enkel risico.

De test wordt via bloedafname gedaan.

Een HIV-infectie kan behandeld worden, maar kan nog niet genezen worden!

Let erop dat als uw partner HIV positief is, u niet moet aannemen dat u dat ook bent. Het kan dus wel voorkomen dat uw partner positief is en u negatief. Of omgekeerd. Doe dus altijd zelf de test indien u uw HIV status wilt weten.


Bloedgroep/Rhesus

Het is belangrijk om uw bloedgroep te kennen in het geval u een bloedtransfusie nodig zou hebben tijdens ziekte of na een ongeval of operatie.  Of bij een bevalling.

Bij de test wordt bepaald of u bloedgroep A, B , AB of O hebt en of u Rhesus positief of negatief bent.

Iemand met bloedgroep A heeft antigeen A en antistof B en iemand met bloedgroep B heeft antigeen B en antistof A. Daarnaast bestaan ook nog bloedgroep AB (antigeen A en B en geen antistoffen) en 0 (geen antigenen en antistof A en B). 

De antistoffen zijn met name belangrijk bij bloedtransfusies. Iemand met bloedgroep A kan absoluut geen bloed ontvangen van iemand met bloedgroep B. De antistoffen zouden ervoor zorgen dat het bloed gaat samenklonteren.

Aangezien iemand met de bloedgroep AB geen antistoffen heeft, kan deze in noodgevallen van alle bloedgroepen (als er geen andere belemmeringen zijn) bloed ontvangen. Een persoon met bloedgroep 0 kan juist aan iedereen doneren door de afwezigheid van antigenen.

Over het algemeen worden in de praktijk echter alleen bloedtransfusies uitgevoerd met bloed van dezelfde bloedgroep.


De rhesusfactor

De meeste mensen zijn rhesus positief.

Dit betekent dat het zogenaamde D-antigeen op de buitenkant van hun rode bloedcellen aanwezig is.

Bij de rhesus negatieve mensen is dit D-antigeen vanzelfsprekend afwezig. In principe hebben deze mensen ook geen antistoffen tegen de Rhesus D-factor, maar deze antistoffen kunnen wel ontstaan.

Als een rhesus negatief persoon in aanraking komt met positief bloed, door bijvoorbeeld een bloedtransfusie of een bevalling (positieve baby, negatieve moeder) dan worden de antistoffen aangemaakt.